
Deze overwegingen zijn ontstaan naar aanleiding van de jaarlijkse vakwedstrijd van de SCS. In 2003 werd mij gevraagd te jureren voor het onderdeel 'kleuradvisering' gekoppeld aan het onderdeel 'technisch rapport en offerte'. Gezien vanuit de doorloop van het werk in de praktijk is dit een logische verbinding, want beide onderdelen gaan aan het uitvoerende werk vooraf.
Over het algemeen was bij alle kandidaten de eerste indruk en de algehele verzorging van het werk voldoende tot behoorlijk goed; er was zichtbaar aandacht aan besteed. De inhoudelijke kwaliteit kwam hierbij wat mager over, en gaf aanleiding tot de vraag hoe dit zou kunnen komen.
juni 2003, MB
Om succesvol met een vak bezig te zijn, welk vak dan ook, moet men beschikken over talent, kennis en vaardigheden. Zelfs zonder talent kan men op basis van inzet en scholing meestal een acceptabel niveau van algemene ontwikkeling bereiken, maar ook mét talent heeft men inzet en scholing nodig om de begaafdheid tot ontwikkeling te brengen. We kunnen in dit opzicht vier mogelijkheden onderscheiden: iemand kan onbewust onbekwaam zijn, of bewust onbekwaam, of onbewust bekwaam of bewust bekwaam. In dit model om de gedachten te helpen bepalen blijven tussenvormen en stadia van ontwikkeling even buiten beschouwing, ze zijn er in de praktijk wél.
In het vak taal bijvoorbeeld kunnen de meesten van ons komen tot het niveau van begrijpelijk Nederlands, wat een behoorlijk complexe vaardigheid is. Een iets kleinere groep kan ook in 1 of 2 buitenlandse talen een basisniveau van communicatie bereiken, maar slechts een minderheid van ons is begááfd in spreken, schrijven of meertaligheid. Bij het vak beeld is het al niet anders. Analoog aan het voorgaande kunnen de meeste mensen dus op basis van inzet en scholing in een (beeld)taal tot voor anderen begrijpelijk gebruik komen, een kleinere groep kan uit de voeten met meerdere (beeld)talen, bijvoorbeeld boetseren én grafische vormgeving, en voor scheppende beeldvorming of meesterschap in meerder talen is net dat onsje méér nodig.
Talenten zijn ongelijk verdeeld over de mensen, dat houdt verder geen oordeel in; bijna niemand is goed in alles, en iedereen wel in iéts. Wél is het zo dat talenten vaak in combinaties voorkomen, die voor een deel voortkomen uit onze hersenstructuur. De werkwijze van de linker hersenhelft staat grotendeels in het teken van het taalcentrum; het is de helft waarin bekende, gestruktureerde verbale alsook mathematische informatie sequentieel, logisch, in brokjes achter elkaar wordt verwerkt. De rechter hersenhelft is vooral op het non-verbale betrokken en er vindt parallelle informatieverwerking plaats, d.w.z. meerdere kanalen tegelijkertijd.
De koppeling van opdrachten voor in dit opzicht verschillende soorten vaardigheden, technisch financieel en creatief visueel, is misschien een werkwijze die, in dit licht gezien, nog eens zou kunnen worden heroverwogen.
Vanwege het belang van taal voor de ontwikkeling van het logisch rationeel denken, dat in onze cultuur zeer hoog gewaardeerd wordt, staat de taalontwikkeling reeds vanaf zeer jonge leeftijd in het brandpunt van de belangstelling, met andere woorden, van jongs af aan krijgt ieder van ons veel oefening en correctie én er zijn voortdurend veel voorbeelden beschikbaar. Hoewel onze hedendaagse maatschappij, mede door het opvoeren van het tempo, in belangrijke mate een beeldcultuur is geworden, is het belang dat wordt toegekend aan de beeldende vakken in de algemene vorming nog steeds niet groot en algemene kennis van beeldelementen en hun werkingen erg gering. Zeer velen van ons zijn dus in dit werkelijkheidsgebied onbekwaam en onbewust; beelden raken ons direct in onze gevoelslaag en we weten niet wat er gebeurt; in de visuele media wordt er handig gebruik van gemaakt! ‘Ceci n‘est pas une pipe‘ schreef de schilder René Margritte al in 1928 onder een realistisch weergegeven pijp op een schilderijtje. Inderdaad, geen pijp, maar een afbeelding van een pijp, zomaar zwevend in het niets.
Bij de huidige stand van technische hulpmiddelen is het voor bijna iedereen weggelegd om een verzorgde brief te schrijven, om maar even bij het “talige‘ te blijven. Zelfs automatische controle van de spelling behoort tot de mogelijkheden, om een gebrek aan woordenkennis of in leesvaardigheid zoals b.v. dyslexie op te vangen, maar stijl is een vaardigheid die ontwikkeld moet worden en of die brief ook ergens over gáát, is weer een andere kwestie. Ook bij het produceren van beelden kan een heel arsenaal aan hulpmiddelen worden ingezet, en met een beetje goede wil komt men zonder al te veel inspanning tot een aardige collectie plaatjes, en daar is niets mis mee, want veel kijken kán het onderscheidingsvermogen vergroten. Herkennen van kwaliteit gaat meestal vooraf aan produceren van kwaliteit.
Smaak hebben we allemaal; er zijn wel eens momenten dat men maar iets eet om de honger te stillen, maar wanneer er keuze is, heeft ieder zo zijn of haar voorkeuren, voor een deel biologisch instinctief bepaald, voor een deel vanuit sociale conditionering. Het is een wijdverbreid idee dat smaak iets persoonlijks is, maar in werkelijkheid worden smaakvoorkeuren door grote groepen gedeeld en zijn in hoge mate onbewust. Stijl als samenhangend geheel van elementen, kan ontwikkeld worden door bewustwording van smaak, materiaalkennis, en keuzevaardigheid, d.w.z. enig overzicht van de mogelijkheden. Authentieke expressie vind men soms in de regionen van kunst, maar ook in de architectuur en vormgeving van gebruiksvoorwerpen komt men soms wonderen van schoonheid tegen of producten met een lange levensduur en brede verspreiding van invloed; dat noemt men dan na verloop van tijd de klassiekers, de voorbeelden in hun soort.
Dit stukje is ontstaan vanuit de gedachte dat een kleine terreinverkenning misschien behulpzaam kan zijn. Wanneer men zoekt naar mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering, is het altijd de moeite waard om te onderzoeken wat het precies is, dat men wil verbeteren en op welk(e) punt(en) mogelijkheden voor zinvolle actie precies liggen. Er is sprake van een werkveld, de zichtbare wereld; een afbakening is handig, want die voorkomt energieverspilling. Over het algemeen is het werk- en denkniveau dat in de praktijk gevraagd wordt gerelateerd aan de mate van verantwoordelijkheid die men te dragen krijgt. Vertaald naar vormgevend werk vinden we deze verantwoordelijkheid in de mate van invloed van het werk en de grootte van het beinvloedingsgebied, m.a.w. het mede vormgeven aan de openbare stedelijke leefomgeving van veel mensen is een grotere verantwoordelijkheid dan het vormgeven van de huiselijke omgeving voor een gezin of het creëren van voorwerpen. Ook is er sprake van opleiding en beroep, dat wil zeggen een pad, waarbij tenminste met alle hoeken en gaten van het afgebakende werkterrein wordt kennisgemaakt en basisvaardigheden worden ontwikkeld. Daarna kan men eventueel doorgroeien naar meesterschap.
Effectief werken met kleur veronderstelt ten minste enige algemene beeldvaardigheid, de basis. Daarnaast kennis van het fenomeen kleur, zijnde één van de vele beeldelementen, de fysische en psychische werkingen en wetmatigheden bij het toepassen van kleur, en kennis van het gebied waarin men kleur wil toepassen, in ons geval bouwstijlen en hun kenmerken en materialen. In de context van de SCS lijkt het expressieniveau stijl een haalbaar doel, mits inzet en scholing goed gericht worden door een correcte en bruikbare structurering van het veld.
Pieter Vroon: Bewustzijn, hersenen en gedrag. blz. 160 e.v. Uitgeverij Ambo 1976.
Bert Boermans: Beeldende begrippen ISBN 90.74119.37.9 Uitgeverij Lambo 2001.
